Spring naar inhoud

Als de rombom heeft geslagen,
Dat wij marcheren moeten gaan
Geweer en ransel moeten wij dan dragen
En dat staat ons voorwaar niet aan

Kapiteins en officieren
Drinken wijn en soms een glaasje bier
Maar wij arme, wij arme fuselieren,
Drinken water al uit de rivier

’n Stuiver daags is onze gage
En een pondje droog kommiezenbrood
Een watersausje geeft ons de courage
En daarop moeten wij maar voort

Als wij in Nijmegen komen,
Als wij in Nijmegen zullen zijn
Ja, dan zal ’t er gewis niet aan mankeren
Of wij drinken een glaasje wijn

En als wij ons lief gevonden
Ja, dan is ons jeugdig hart verblijd,
En dan leven wij samen met elkander
Tot zolang er de dood ons scheidt.

De machtigste koning van storm en van wind
is de arend geweldig en groot.
De vogels zij sidd'ren en vluchten van angst
voor zijn snavel en klauwende poot.
Als de leeuw verheft zijn gebrul des nachts
dan verschrikt hij de dieren er mee.
Ja, wij zijn de heersers der aard,
de koningen van de zee.
Tirallala, tirallala, tirallala, tirallala,
tirallala, tirallala, tirallala, hoi hoi.
Ja, wij zijn de heersers der aard,
de koningen van de zee.

Verschijnt er een schip op de oceaan
dan juichen wij luide en wild.
Ons trotse schip als een pijl uit de boog
vliegt terstond door de wateren zilt.
En de koopman wordt bang en hij siddert van angst,
de matrozen verwensen die dag.
En daar klimt de mast langs omhoog,
onze bloedrode zeeroversvlag.
Tirallala, tirallala, tirallala, tirallala,
tirallala, tirallala, tirallala, hoi hoi.
Ja, daar klimt de mast langs omhoog,
onze bloedrode zeeroversvlag.

Wij werpen ons op het vijandige schip
als een wegslingerende speer.
De kanonnen dreunen, 't geweer knalt rondom
en de enterbijl hakt keer op keer.
En reeds zinkt de vlag van de vijand omlaag,
overwinningsgeroep klinkt alom.
Lang leve de bruisende zee,
lang leve de zeeroverij.
Tirallala, tirallala, tirallala, tirallala,
tirallala, tirallala, tirallala, hoi hoi.
Lang leve de bruisende zee,
lang leve de zeeroverij.

En is overwonnen ons laatste gevecht,
en is de laatste overwinning behaald.
Dan fluks onze wrakkige schuit naar de duivel
gestuurd en ter helle gedaald.
En als satan dan onze wil niet doet,
ai, dan rooste-ren wij hem eens fel.
Want wij zijn de heersers der aard
en willen het ook zijn in de hel.
Tirallala, tirallala, tirallala, tirallala,
tirallala, tirallala, tirallala, hoi hoi.
Want wij zijn de heersers der aard
en willen het ook zijn in de hel.

3

Is het mist of is het rook: hè bah, het is weer zo ver: rook uit de papiercontainer!
Straks maar even de brandweer bellen als ik thuis ben.
Maar bij de container is al een man bezig met een emmertje water. Hij giet het door de spleet naar binnen. Het valt niet mee om het vuur te raken.
"Laat mij maar even", zeg ik als hij een emmertje uit de sloot heeft gehaald. Ik heb wel eens van een brandweerman gehoord hoe het moet. Het gaat erom, de brandhaard te koelen en daar is vaak niet eens zo veel water voor nodig, het moet vooral op de goede plek terecht komen.
Ik houd de emmer tegen de spleet en spetter met mijn hand golfjes water naar binnen, links beginnen en steeds een beetje naar rechts. En dan aan de andere kant net zo. Het is ijskoud, dat water. Het knettert, dus er is vuurcontact. Alleen zie ik niets. Maar ruiken doe ik het des te beter, die scherpe lucht van aangestoken kranten.
'Nu is het uit hè?", vraagt een jongetje. Maar ik hoor nog geknetter daarbinnen. Nog een emmer, en nog een, en het blijft maar knetteren.
"Ik ga toch maar even de brandweer bellen", zegt de man
"Nééé, ik wil niet haar Halt", roept het jongetje bang. Een jaar of tien is hij, met blonde krullen en een zwarte veeg op zijn wang. Helemaal in tranen is hij.
"O, heb jij het aangestoken?", vraag ik hem.
"Het was maar een geintje", snikt hij, "Ik heb er alleen maar een lucifer in gegooid maar ik wilde geen brand maken".
"Nou, daar word je dus niet vrolijk van", zeg ik.
"Ik ben zo blij dat u wilt helpen", zegt hij. Inderdaad, hij krijgt er niet eens van langs.

Uiteindelijk lijkt het erop dat we de brand meester zijn. De container rookt niet meer, de verf zit er overal nog op en hij voelt nergens meer warm aan.
Ik ga snel naar huis, opwarmen.

"Heel erg bedankt meneer", zegt het jongetje.
Hij heeft iets geleerd vandaag.